Noordhollands Kanaal 2

Noordhollands Kanaal 2

40 x 50 cm, © 2017, € 250,00
Tweedimensionaal | Fotografie | Digitaal bewerkt
In de 17e eeuw nam de bevaarbaarheid van de Zuiderzee voor de zeescheepvaart naar Amsterdam af. Met name de ondiepte bij Pampus die de doorgang naar het IJ voor grote schepen blokkeerde, zorgde voor veel oponthoud. Goederen moesten naar kleinere schepen overgeladen worden en dat werd tijdrovend en duur. Daarbij kampte Amsterdam ook met het dichtslibben van de haven. De Nederlandse economie was in slechte staat na de val van Napoleon. Het gebrek aan goede water- en wegverbindingen was daarvan een belangrijke oorzaak, en koning Willem I wilde daar snel verbetering in brengen. Het graven van een rechtstreekse verbinding naar de Noordzee durfde men nog niet aan, vooral omdat het nog te moeilijk was om een groot sluizencomplex te bouwen. Het voorstel van de koning was een kanaal dat alleen geschikt zou zijn voor binnenvaartschepen, maar Amsterdam was hier fel op tegen. Zeeschepen zouden in dat geval Den Helder als eindbestemming kunnen nemen, waardoor de stad belangrijke inkomsten zou mislopen. Maar in 1819 werden de koning en de hoofdstad het eens over een breder en dieper kanaal, ook geschikt voor zeeschepen en zo werd de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal een feit. Jan Blanken kreeg de leiding over het project. In feite ontstond het kanaal door het met elkaar verbinden van een aantal boezemwateren, die verbreed en uitgediept werden. Zo werden ook de ringvaarten van de Beemster en de Schermer onderdeel van het kanaal en volgt het ten noorden van Alkmaar het oude riviertje de Rekere.