Het Dier Het blijft altijd boeiend om te zien hoe het leven in onnoemelijk vele vormen voorkomt. De unieke schoonheid van elk dier, zowel van een huismijt, als van een vis of leeuw.

uit 2010 tot 2017 (klik op de afbeelding om het werk groter te bekijken)
stuur een bericht naar de kunstenaar

Gewoon een Koe

2017

Als je door Europa reist zie je ze overal in het land: gewoon koeien, onder een boom, bij een beek, of ze staan om je heen wanneer je op de top van een bergpas komt. Deze witte Franse koeien worden ten onrechte vaak Limousins genoemd, maar het zijn Charolaises. De Charolais is een koeienras dat van oorsprong uit die regio van Frankrijk komt. Het is een vleestype. Overal in het landschap zijn de witte koeien, vaak samen met hun kalfjes te vinden. En in september en oktober, wanneer de koeien ‘in chaleur’ zijn, mogen ook de imposante stieren erbij. Deze koe stond in de Franse Ardennen bij de Belgische grens. Verder noordelijk, bijv. in de Beemster, vind je voornamelijk de zwart-witte Friese koeien. En àls die al buiten staan, is het in een kaal weiland zonder enige beschutting, waar nog maar één soort gras groeit. En is dàt wel ‘gewoon een koe’ te noemen?

Liggend Rendier

2017

Het rendier (Rangifer Tarandus) is de grote grazer van de toendra. Ze leven in kuddes en eten vooral rendiermos, een korstmos, waarin algen en een schimmel een symbiose vormen. Ook ’s winters, als de toendra met sneeuw en ijs bedekt is, weten de rendieren dit met hun hoeven te verwijderen om hun diepvries maaltijd te bereiken. Hun voornaamste vijand is de wolf, die vooral de zwakkere dieren grijpt. Oorspronkelijk kwam het rendier voor in het gehele toendra-gebied rond de Noordpool, maar met name in de zuidelijker delen van deze gebieden is het dier inmiddels verdwenen. Het wordt al eeuwen om zijn vacht, vlees, melk en als trekdier door de mens gebruikt. In Noord-Scandinavië worden nog door slechts vier families van de Samen (Lappen) grootschalig kuddes rendieren gehouden, die op moderne wijze, bijv. met helikopters, bijeengedreven worden in de herfst. De slee van de Kerstman wordt door rendieren getrokken, waarvan één met de naam Rudolf,  een rode neus schijnt te hebben. Een naamgenoot dus, maar gelukkig is mijn neus niet zo rood…..

Oehoe

2017

De Oehoe (Bubo bubo) is een van de grootste uilensoorten ter wereld. Vooral in de late winter laat het mannetje zijn imposante ‘oehoe’-roep horen. Het verenkleed is overwegend geel-bruin van kleur met zwarte accenten, met name op de rug en de bovenzijde van de vleugels. De poten eindigen in fors geklauwde tenen, die gemiddeld zo'n 2-4 cm lang zijn. De oehoe overvalt kraaiachtigen, roofvogels en zelfs andere uilen op hun slaapplaatsen, na hen eerst enige tijd gade te hebben geslagen vanaf een gedekte uitkijkplaats. Zo kan hij urenlang muisstil blijven zitten 'roesten' tot er een grote prooi langs komt. In een duikvlucht grijpt de uil zijn prooi dan meestal in het nekvel om hem op de plukplaats te ontdoen van veren en huid. Egels worden vakkundig ontdaan van hun gestekelde vacht, hij 'pelt' ze met een nog onbekende techniek uit hun huid. De oehoe is zelfs in staat om jonge vossen te slaan en in zijn geheel, al vliegend mee te sleuren naar de plukplaats. In magere tijden kan de oehoe ook lange tijd van aas leven. Daarbij schijnt er een duidelijke voorkeur te bestaan voor hertachtigen.

Roofvogel

2017

Roofvogels zijn in het algemeen vleesetende vogels die op een prooi jagen. Ze vangen deze prooi op de grond, in de lucht of in het water. Sommige soorten eten kadavers. Ze hebben klauwen met scherpe nagels met drie tenen vooruit en één teen achteruit en een grote kromme snavel. Maar roofvogels zijn niet de enige vogels die gewervelde dieren eten, dat doen bijvoorbeeld ook meeuwen, uilen, kraaien en klauwieren en niet iedere roofvogel is een uitgesproken vleeseter: de palmgier leeft bijv. zowel van dode vis, als van de vruchten van de oliepalm. Deze roofvogel zal niet zo veel meer eten, hij hing aan dunne draadjes in een natuurmuseum in het Nationaal Park Saltfjellet in Noorwegen.

Egyptische Sprinkhaan

2016

De Egyptische sprinkhaan, ook wel Egyptische boomsprinkhaan of bloemkoolsprinkhaan genoemd, leeft rond de Middellandse Zee in Zuid-Europa en Noordelijk Afrika. De kleur is bruin tot groen, de achterzijde van de achterste poten is blauw gekleurd. Wat aan hem opvalt zijn de verticaal gestreepte ogen en de stekelachtige knobbel tussen de voorpoten aan de buikzijde. Mannetjes bereiken een lengte van ongeveer 35 mm, de vrouwtjes worden aanzienlijk groter: tot 65 mm. De soort komt normaal in het wild niet voor in Noord-Europa, maar duikt door de import van planten uit Zuid-Europa toch steeds vaker op. Ook in Nederland en België zijn waarnemingen bekend en de soort is zelfs in Denemarken aangetroffen.

Tor

2016

Torren of Kevers behoren tot de gevleugelde insecten. Deze grootste orde van insecten kent een enorme soortenrijkdom. Ze komen overal ter wereld voor en leven in de meest uiteenlopende habitats, ook onder water. Alleen in echte poolstreken en in de zee komen ze niet voor. Alle kevers hebben hetzelfde basisplan. Het lichaam is vaak bolvormig, heeft relatief korte antennes en is sterk bepantserd door een dikke chitine-huid. Het voorste vleugelpaar is omgevormd tot beschermende harde schilden aan de bovenzijde van het lichaam, die de kwetsbare en vliezige achtervleugels bedekken. De larven zijn vaak gebonden aan een specifiek milieu en niet erg mobiel, maar de volwassen kevers zijn prima in staat zich te verplaatsen en zich zo te verspreiden, hoewel ze niet zo snel kunnen vliegen als veel andere insecten. Deze tor liep langs de oever van de Tarn, een rivier in Zuid-Frankrijk.  

Varken

2016

Bij een boswandeling in Norfolk (GB) liepen zo te zien varkens los op een grote open plek in het bos, maar toen we dichterbij kwamen zagen we dat ze elk een kaal stukje grond hadden, van elkaar gescheiden door schrikdraad. Deze varkens leverden waarschijnlijk scharrelvlees maar veel te scharrelen was er niet….. Varkens werden al zo’n 6000 jaar geleden gedomesticeerd. Het zijn intelligente, nieuwsgierige en relatief schone en sociale dieren. De draagtijd van een zeug is ongeveer 115 dagen (3 maanden, 3 weken en 3 dagen) en per worp worden er ongeveer 13 levende biggen geboren. In de intensieve varkenshouderij worden de biggen 21 tot 28 dagen na de geboorte gespeend (op biologische bedrijven pas na 42 dagen) en worden ze na 6 maanden geslacht. In de Keltische mythologie neemt het varken of wilde zwijn een belangrijke plaats in. In de lage landen werden aan de Keltische en Germaanse goden in het midden van de winter varkenskoppen en hammen geofferd. Zulke periodieke ceremonies dienden ook de vleesvoorziening van het dorp: ze eindigden met een maaltijd en de verdeling van stukken varkensvlees. Overdag liepen de varkens los door de nederzetting en de omgeving. Ze behoorden niet toe aan iemand in het bijzonder. In Europa bleven varkens tot ver in de Middeleeuwen rondlopen door dorpen en steden als huisdieren en vuilnisopruimers, scharrelend naar restjes, afval en drek. Van deze 'gemeenschapsvarkens' werd het vlees na de slacht onder de armen verdeeld. Volgens een oud bijgeloof kunnen mensen die varkenshersenen eten geen leugens vertellen. Nu eet ik sowieso al geen varkensvlees, laat staan de hersenen, maar dan is dus de vraag of dit geen leugen is……

Wesp

2016

We zaten op een rustige najaarsdag in de Franse Pyreneeën, toen deze wesp op ons picknicktafeltje landde. Hij bleef heel rustig zitten alsof er niets aan de hand was, wat mij de gelegenheid gaf om hem op mijn gemak te bestuderen, met dit resultaat. Het is een hoornaar, een  vliesvleugelig insect behorend tot de papier-wespen. De hoornaar kan tot 3,5 centimeter lang worden, wat meer dan twee keer zo groot is als de meeste andere wespen en de grootste soort in Nederland en België. Hij komt ook voor in delen van Azië en is door de mens uitgezet in Noord-Amerika. Behalve door zijn afmetingen, valt de hoornaar op door zijn roodbruine kop en borststuk en het duidelijk hoorbare, zoemende vlieggeluid. Ondanks zijn indrukwekkende uiterlijk is hij beduidend minder agressief in vergelijking met andere wespen. Het nest wordt gemaakt van cellulosevezels die van bomen worden geknaagd. Het is bolvormig en bestaat uit meerdere raten. Maar daarin wordt geen honing opgeslagen, zoals bij de ver verwante honingbij het geval is, want hoornaars eten andere insecten, die zij met de kaken vermalen tot een papje en aan hun larven voeren.

Bonte specht

2015

De grote bonte specht is met een lengte van zo’n 25 cm en een gewicht van 60 tot 110 gram een vrij grote vogel. Bovenop is hij zwart met grote ovale, witte schoudervlekken, en van onderen wit en rood gekleurd. De vleugels zijn zwart-wit gestreept. De snavel is dofzwart en de poten zijn grijs. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd, het vrouwtje heeft een geheel zwarte kruin. Hij voedt zich met insecten, vooral met de larven van kevers die onder de bast van naaldbomen zitten, maar hij eet ook fruit, noten, bessen en zaden van naaldbomen. Hij hakt vaak een gat in een boom om daar een dennenappel in vast te klemmen, dit noemt men een ‘spechtensmidse’. Als de kans zich voordoet eet hij jonge vogels. De grote bonte specht heeft tegenwoordig een bijzondere vijand: de halsbandparkiet, oorspronkelijk afkomstig uit India, die als ontsnapte kooivogel nu steeds meer territorium verwerft in Nederland en die de spechten uit hun nestholtes verjaagt. Desondanks is er nog geen bewijs dat de halsbandparkiet een negatieve invloed heeft op de populatie van de grote bonte specht. Die is de laatste jaren n.l. alleen maar in aantal toegenomen.

Duiven

2015

De Columbidae ofwel de familie der duiven, bestaat uit middelgrote, compact gebouwde vogels met een volle, ronde borst en kleine kop. In tegenstelling tot andere vogels kunnen ze water met de snavel opzuigen. Een duif broedt zo'n zestien tot twintig dagen in een eenvoudig, wat rommelig nest. Als de jongen geboren worden zijn ze blind en bedekt met dun dons. Ze worden de eerste dagen met ‘duivenmelk’ gevoerd. Dat is een melkachtige substantie die in de krop van zowel de duivin als de mannetjesduif wordt geproduceerd. Enkele dagen voordat de eieren uitkomen wordt de binnenlaag van de krop van de duif dikker. Dit wordt veroorzaakt door hetzelfde hormoon dat bij zoogdieren de melkproductie aanzet. Uiteindelijk laat deze laag los en komt vrij als een melkachtige substantie, die meer vet en eiwitten bevat dan koemelk en die er door de jongen uit wordt gepikt. Na 3 à 6 dagen gaan de oogjes van de jongen open, na 11 dagen krijgen ze veren en na 25 dagen kunnen ze vliegen. De duif wordt van oudsher door mensen gehouden, als pluimvee of als postduif.

Roek

2015

De roek is vrijwel even groot als de zwarte kraai, ongeveer 46 centimeter lang. Het verenkleed is zwart met een blauwige metaalglans. De snavel is ook zwart, iets naar beneden gebogen en wat slanker dan die van de zwarte kraai. Als het dier wat ouder is, wordt de snavelbasis kaal en de onderliggende grijze huid zichtbaar. Het bovendeel van de poten is, anders dan bij zwarte kraaien, met wat veren bekleed. Deze 'broek' maakt ook jonge roeken in het veld herkenbaar. De beide geslachten zijn gelijk gevederd en even groot. De roek kan luidruchtig zijn en heeft een groot aantal geluiden tot zijn beschikking, die deels met die van de zwarte kraai overeenkomen. Ze leven het gehele jaar in groepen, slapen samen in slaapbomen en broeden in soms zeer grote kolonies. Op de bodem verplaatst de roek zich met plechtige passen of met sprongetjes, in de lucht met een krachtige vleugelslag en een vrij lange glijvlucht. Roeken vormen een paar voor het leven. Partners begroeten elkaar met een soort paradepas, waarbij de vleugels licht worden opgetild. Net als andere kraaiachtigen, zijn ze uitgesproken nieuwsgierig en kunnen makkelijk kunstjes leren. In het voorjaar ziet men dan ook vaak spelvluchten en luchtacrobatiek. Ze spelen spelletjes met groepsgenoten, zoals dingen laten vallen en opvangen of samen schommelen op een tak. Na het uitvliegen sluiten de jongen zich aan bij een troep leeftijdgenoten. In deze jeugdgroepen vindt na circa een jaar de paarvorming plaats.

Schaatsenrijdertje

2015

Het schaatsenrijdertje (Gerris lacustris) behoort tot de familie der Gerridae, insecten die op water kunnen lopen. Het lichaam is erg smal, met kleine vleugels en zes poten, waarvan vier gebruikt worden om relatief snel over het wateroppervlak te bewegen. De kleur is bruin tot zwart en de buikzijde lichter, de maximale lengte zonder poten en antennes + 12 millimeter. Alleen de uiteinden van vier poten rusten op het water. Het drijfvermogen ontstaat doordat onder de pootjes talloze minuscule haartjes met nano-groefjes zitten die een dun laagje lucht vasthouden. Hij peddelt voorwaarts met de middelste poten, de achterste zijn de 'stuurpoten'. Deze wijze van voortbeweging is geheel analoog aan roeien. Een schaatsenrijder kan dus over het water rennen, maar ook duiken en zelfs vliegen. Het voedsel bestaat uit kleine dieren zoals kevertjes en vliegjes die in het water vallen en niet kunnen zwemmen of kleine waterinsecten die naar boven komen om adem te halen zoals muggenlarven. De middelste en achterste poten voelen rimpelingen en vibraties van worstelende insecten in het water, en met de voorste tangachtige poten wordt de prooi gegrepen en vastgehouden en vervolgens door de zuigsnuit doorboord en leeg gezogen.

Spin A

2015

Spinnen vormen een belang onderdeel van ons ecosysteem. Er zijn tegenwoordig ruim 45.000 verschillende soorten spinnen beschreven. Ze hebben een wereldwijde verspreiding en kennen een grote variatie in lichaamsbouw, gedrag en voedselspecialisatie. Een aantal tropische soorten wordt groter en heeft soms bonte kleuren, maar de meeste spinnen hebben een goede camouflage. Sommige zijn zo sterk gecamoufleerd dat ze niet meer als zodanig te herkennen zijn, zoals spinnen die lijken op dierlijke uitwerpselen of op bladeren en takjes. Er zijn ook soorten die andere dieren zoals wespen of mieren imiteren. De kleinste spinnensoorten worden niet langer dan één millimeter. De grootste soorten kunnen een spanwijdte van de poten hebben van meer dan 25 centimeter. Er zijn niet alleen heel veel soorten spinnen, maar binnen een soort is de populatiedichtheid vaak ook erg hoog. Een beroemde Britse spinnenkenner omschreef spinnen eens als ‘een reusachtig tapijt dat de aarde omspant’. Zelfs op de Mount Everest zijn spinnen aangetroffen. Deze leefden op een hoogte van 6600 meter boven zeeniveau.

Spin B

2015

Spinnen zijn typische landbewonende insecten die levende prooidieren eten welke in de regel gevangen worden met behulp van spinsel. Veel spinnen maken een vangweb en zijn passieve jagers, ze wachten tot een prooidier in hun web verstrikt raakt waarna de prooi wordt buitgemaakt. Andere spinnen jagen actief op hun prooi of wachten vanuit een hinderlaag. Spinnen ruimen grote hoeveelheden insecten op, vooral vliegen en muggen. In Nederland zijn slechts een paar soorten algemeen bekend bij het publiek. Voorbeelden zijn de kruisspin, de trilspin en de gewone huisspin. Deze drie soorten komt men relatief vaak tegen. Een andere veelvoorkomende soort is de veldtrechterspin, maar deze leeft meer verborgen in de struiken. De kruisspin laat zich meer zien in tuinen en plantsoenen maar voelt zich absoluut niet thuis in huizen, in tegenstelling tot de trilspin en de huisspin. Een andere spin die vaak te zien is op en rond huizen is de huiszebraspin. Deze spin blijft klein en heeft een zwart-wit bandenpatroon. Hij behoort tot de springspinnen en is bij zonnig weer vaak aan te treffen op muren.

Sprinkhaan

2015

Op een mooie zomeravond landt er op de voorruit van mijn auto een kleine sprinkhaan. Hij zet zich vast aan het glas met zuignapjes en weet zich tot we onze bestemming bereiken vast te houden. Het blijkt de kleine groene sabelsprinkhaan, die ondanks de naam één van de grotere soorten van Nederland en België is. Deze sprinkhaan komt voor in centraal en zuidelijk Europa, in België en in zuid- en oost-Nederland. In het Oosten van het land bevinden zich twee populaties, bij Elsen in de gemeente Hof van Twente en bij het plaatsje Rhienderen in de gemeente Brummen. De habitat bestaat uit ruige vegetatie, langs bosranden en bij open plekken in het bos, ook langs spoorwegen. In Centraal Europa is de sprinkhaan voornamelijk in berggebieden te vinden. De kleine groene sabelsprinkhaan is actief gedurende de maanden juni tot september. De mannetjes laten zich vooral horen tussen drie uur in de middag tot drie uur ’s nachts. Het geluid bestaat uit een ratelachtig gezoem dat sterk aanzwelt en zo'n 4 tot 8 seconden aanhoudt. Op het menu staan voornamelijk andere insecten en planten zoals grassen. Ik vond het bewonderenswaardig dat zo’n klein beestje, ondanks dat we een behoorlijke snelheid hadden, zich vast wist te houden!

Wolf

2015

De wolf komt wereldwijd voor, maar deze leefde op het Varanger schiereiland dat grenst aan de Beringzee. Wolven zijn sociale dieren die in roedels (familiegroepen) leven. Een roedel wordt geleid door een alfa-mannetje en alfa-vrouwtje. Gewoonlijk hebben zij het alleenrecht op voortplanting. De nakomelingen van het alfapaar blijven hooguit 2 jaar in de roedel. Bij een gemiddelde worp van 4 welpen kan de roedel na 2 jaar uit 10 dieren bestaan. Het voedselaanbod is van invloed op de roedelgrootte. In gebieden met weinig voedsel, als Italië en Spanje, leven ze in kleinere familiegroepjes, bestaande uit het alfapaar en hun welpjes, maar waar veel voedsel is (bijv. in Alaska, waar de wolven op elanden jagen) kan een roedel bestaan uit wel 30 dieren. De overige dieren zijn dan meestal volwassen nakomelingen van het alfapaar. De oudere jongen verlaten de roedel al dan niet vrijwillig en trekken vaak nog een periode met hun broertjes en zusjes op. Wanneer ze zelf een territorium en een partner gevonden hebben, vormen ze een eigen roedel. De wolf kent een grote verscheidenheid aan expressiemogelijkheden. Het bekende huilen is vooral bedoeld om te communiceren over langere afstanden en is intensiever bij dieren waarbij de sociale band groter is. Ze kunnen dit gehuil op afstanden van 6 tot 10 kilometer horen. Het afbakenen van het territorium d.m.v. urineren, is voorbehouden aan dominante dieren. Binnen de roedel wordt vooral gecommuniceerd met lichaamstaal. Onderdanige wolven bijv. begroeten anderen door onderwerping, met afgewende ogen, staart tussen de achterpoten, lage houding, oren naar achteren en een zacht gejank. Als ze boos of bang zijn laten ze dat meestal zien met ontblote tanden en gegrom.

Caligo memnon

2014

Deze uilvlinder is een dagvlinder uit de familie Nymphalidae. De soort komt voor in de bossen van Mexico tot aan het Amazone regenwoud, maar dit exemplaar bracht zijn tijd door in een vlindertuin Fuengirola in Spanje. De spanwijdte van de vleugels bedraagt tussen de 11 en 20 cm. Hun naam danken ze aan de ronde vlekken op de onderkant van de vleugels, die op uilenogen lijken. De bovenkant van de vleugels is iriserend blauw. De rupsen van deze vlinder voeden zich o.a. met bananen en kunnen zo een plaag vormen voor de teelt daarvan. De volwassen exemplaren voeden zich met het sap van rottend fruit. Anders dan de meeste insecten zijn vlinders geliefd bij het grote publiek. Veel vlinders hebben een opvallend uiterlijk en kunnen bovendien niet steken of bijten. Omdat het vlinderlichaam gemakkelijk te conserveren is en de soms bonte kleuren hierbij niet verloren gaan worden ze al sinds lange tijd over de gehele wereld verzameld.

Havik

2014

De Havik is een middelgrote roofvogel met korte, brede vleugels en een lange, bijna vierkante staart. Een volwassen havik heeft een witte lijn boven het oog. Het is een ‘stille’ vogel, alleen in de broedtijd kan men verschillende soorten gekekker horen. In terreinen met veel begroeiing jaagt de havik vanaf een hoge zitplaats of in een lage vlucht om zijn prooi te verrassen. Daarbij kan de vogel op korte stukken een relatief grote snelheid (80 km per uur) ontwikkelen. Maar vaak is ook te zien hoe haviken vanuit een hoge vlucht net als een slechtvalk op hun prooi duiken. Meestal zijn dat middelgrote vogels, zoals duiven, vlaamse gaaien, eksters en kraaiachtigen of zoogdieren zoals konijnen. Deze havik zag ik op het eiland Skye in Schotland.

Scholekster

2014

Deze scholekster liep in een Noorse fjord zijn voedsel, dat bestaat uit schelpdieren, wormen en krabben op te scharrelen. Scholeksters kunnen tot 30 jaar oud worden en zijn bijzonder gehecht aan hun territorium, zelfs zo zeer dat ze de plek trouw blijven ook als deze door veranderde omstandigheden niet meer zo gunstig is. Een goed territorium (een z.g. hokkerterritorium) ligt dicht bij de voedselbronnen, een slecht territorium (wipperterritorium) ligt daar verder vanaf. De lange levensduur van de vogels heeft tot gevolg dat de beste broedplekken telkens weer bezet worden door reeds succesvolle paren. Jonge scholeksters hebben twee mogelijkheden: genoegen nemen met een kwalitatief minder territorium of wachten tot er een goed territorium vrijkomt. Uit onderzoek is ook gebleken dat jongen de sociale status van hun ouders meekrijgen: jongen die door hokkers grootgebracht zijn veroveren vaak weer een hokkerterritorium, terwijl door wippers grootgebrachte jongen dat zelden doen. Maar het leven van een scholekster bij ons in de Waddenzee is hard: ondanks het feit dat een scholekster drie tot vier eieren legt, levert een hokkerterritorium hier gemiddeld 0,65 jongen per jaar op en een wipperterritorium 0,2 jongen per jaar. Sinds 1985 is het aantal scholeksters in de Waddenzee dan ook met zo’n 35% afgenomen. Als oorzaken worden genoemd de vermindering van het voedselaanbod o.a. door de kokkelvisserij en minder bij eb droogvallende mosselbanken.

Sinasschijf

2014

Vlinders hebben vaak een opvallend uiterlijk met sterk uiteenlopende vleugelkleuren en een karakteristieke fladderende vlucht. Ze spelen een rol in verschillende culturen en zijn een veel gebruikt onderwerp in de kunst. Omdat het lichaam gemakkelijk te conserveren is en de kleuren hierbij niet verloren gaan worden vlinders al sinds lange tijd over de gehele wereld verzameld. Veel vlinders voeden zich met het sap van rottend fruit. Deze vlinders in een vlindertuin in Fuengirola in Spanje, doen zich tegoed aan een sinaasappelschijfje. De sinaasappel is de vrucht van de sinaasappelboom, die tot het geslacht Citrus behoort en die oorspronkelijk uit China afkomstig is, waar ook de naam naar verwijst (China-appel of appelsien).

Aanblik

2013

De aanblik, ofwel het aangezicht van Knofje, de poes met wie wij onze atelierwoning delen. Zij kan je soms zo doordringend aankijken, dat je er ongemakkelijk van wordt. Ze heeft zo haar eigen plekjes in huis. Net als je denkt dat zij nu wel haar favoriete plek heeft gevonden, zoekt ze weer een andere: dan weer op de verwarming of voor het raam, op de leuning van de bank of hinderlijk voor je neus op de salontafel. In het laatste geval wil ze eigenlijk bij mij op schoot, terwijl ik daar helemaal niet van gediend ben….. Als je niet direct als een helderziende begrijpt wanneer ze naar buiten wil, gaat ze aan de stoelbekleding krabben, waar dus inmiddels de rafels bijhangen. En als zij weer naar binnen wil, springt ze buiten op de vensterbank en rammelt aan het deurhaakje dat daar hangt.

Bosuil

2013

Bosuilen komen in bijna heel Europa voor. Loofbossen vormen de belangrijkste biotoop, maar ze zoeken ook regelmatig het landelijk gebied op, mits er voldoende bosjes met enkele oude bomen aanwezig zijn. Die bomen worden gebruikt als uitkijkpost om naar potentiële prooien te speuren en om in te broeden. Deze bosuil heeft zijn leefgebied in Lapland, waar veldmuisjes zijn voornaamste bron van voedsel vormen. De vogels worden zo’n 40 centimeter groot en de vleugelspanwijdte bedraagt 80 tot 95 cm. De kleur varieert van bruin tot grijs. Ze zijn gestreept, hebben zwarte ogen, een enigszins gedrongen vorm en geen oorpluimen. De bosuil jaagt vrijwel alleen in de schemering en 's nachts, overdag houdt hij zich schuil in de top van een boom. Toch zijn ze soms ook overdag te zien als ze geplaagd worden door kleine vogels die hen proberen te verjagen. Het voedsel bestaat voornamelijk uit muizen, maar ook andere kleine zoogdieren en vogels worden gegeten. De onverteerbare delen van zijn prooien worden in de vorm van braakballen uitgebraakt. Een bosuilen paartje blijft elkaar het hele leven trouw, pas als de partner overlijdt gaan ze op zoek naar een ander. Ook blijven ze hun hele leven in hetzelfde territorium. De broedperiode is van februari tot juni. Het vrouwtje legt tussen de 3 en 6 eieren die na ongeveer een maand broeden uitkomen. De jongen blijven zo’n 20 tot 25 dagen in het nest, maar gaan dan al vroeg op ontdekkingstocht in de takken rondom het nest. Daarna blijven ze meestal ongeveer 3 maanden in het territorium van de ouders voordat ze hun eigen territorium gaan zoeken.

Eend

2013

Eenden zijn watervogels. Ze hebben zwemvliezen en waterafstotende veren. De vrouwtjes bekleden het nest meestal met dons dat ze uit hun borst plukken. De jongen zijn nestvlieders, d.w.z. dat ze bij hun geboorte al genoeg ontwikkeld zijn om binnen korte tijd het ouderlijk nest te verlaten en op eigen kracht hun ouders te volgen. De rui vindt plaats meteen na het broedseizoen. Eenden ruien hun slag- en staartpennen tegelijkertijd. Ze kunnen daardoor ongeveer een maand niet vliegen. Bij de meeste soorten hebben de mannetjes een kleurig opvallend verenkleed, de vrouwtjes daarentegen schutkleuren. Alleen tijdens die korte ruiperiode hebben de mannetjes ook een camouflerend verenkleed. Eenden eten verschillende soorten voedsel, waaronder grassen, waterplanten, vissen en insecten. Sommige soorten migreren, hoofdzakelijk die in de gematigde- en noordpoolgebieden, andere soorten blijven het hele jaar in hetzelfde gebied.

Laplanduil

2013

Alhoewel de Laplanduil bijna net zo groot is als de grootste uil, de Oehoe, weegt hij maar de helft. Zijn machtige gestalte is één grote illusie van veren, waardoor hij soms ook de benaming  ‘geest’ of  ‘schim’ krijgt. Het grijze gezicht met de typische gezichtstekening is onmiskenbaar voor deze soort. Hij leeft overwegend van kleine woelmuizen, die hij op 200 meter afstand kan onderscheiden en zelfs aan hun geluiden onder de sneeuw weet te localiseren.

Meeuwen

2013

De meeste meeuwen zijn carnivoor. Ze eten zowel aas als levende prooien. De prooidieren bestaan meestal uit krabben en visjes. Over het algemeen zijn het vogels van de kust en van open binnenland, die zelden ver op zee of in bossen te vinden zijn. De grootste soorten hebben een bijzonder hoge levensverwachting: er is een geval bekend van een zilvermeeuw die 49 jaar werd. Meeuwen broeden in grote, drukke en lawaaierige kolonies. Ze leggen twee of drie gespikkelde eieren in een nest gemaakt van plantaardig materiaal. De jongen zijn nestvlieders, ze worden met donker gevlekt dons geboren en kunnen direct lopen. De grotere soorten krijgen pas na vier jaar hun volwassen verenkleed, bij de kleinere soorten is dit na twee jaar het geval. Het zijn vernuftige, nieuwsgierige en intelligente vogels die zich veelal op succesvolle wijze aangepast hebben aan de menselijke omgeving. Ze hebben complexe communicatiemethodes en sterk ontwikkelde sociale structuren. Zo is in veel meeuwenkolonies defensief pestgedrag waar te nemen, waarmee potentiële concurrenten op afstand worden gehouden. Sommige soorten, zoals de zilvermeeuw, hebben zelfs vaardigheden ontwikkeld om gereedschap te gebruiken.

Scottish Blackface

2013

Het Scottish Blackface schaap is een veel voorkomend binnenlands schapenras in Engeland. Dit stoere ras doet het goed in de ruigere gebieden, zoals de Schotse Hooglanden of op de heide van Dartmoor. Dit schaap woont op het Schotse eiland Skye. Beide geslachten van de Blackfaces zijn gehoornd, en zoals de naam al aangeeft hebben ze meestal een zwart gezicht, soms met een witte aftekening, en zwarte poten. Scottish Blackface wol is een klasse apart. Er zijn enkele variaties in het type wol: in het algemeen hebben de schapen in het zuidwesten een kortere fijnere wol en die in centraal Schotland sterkere lange wol. De belangrijkste afzetmarkt voor de sterke Blackface wol is de matrassen-, stofferings- en tapijthandel. De fijnere wol wordt gebruikt voor kleding, tweed en zware dekens. De allerfijnste Schotse Blackface wol wordt gebruikt voor het beroemde Harris tweed.

Vale Gier

2013

De vale gier behoort tot de roofvogels maar is een aaseter die al vliegend zoekt naar karkassen van grotere dieren, zoals runderen. Deze worden opgespoord met het uitstekende gezichtsvermogen. Met name de zachtere delen worden gegeten, zoals de spieren en de ingewanden. Door zijn lange kale nek kan de gier zijn kop relatief ver in een kadaver steken zonder dat de veren blijven haken. Vale gieren foerageren in groepen, waarbij de dieren elkaar goed in de gaten houden. Als één gier voedsel vindt, vliegt de rest mee naar beneden. Tijdens de maaltijd worden door de dominantste gier luid sissende geluiden gemaakt, de andere gieren reageren hierop met grommende geluiden. De gier kan zelf overigens geen lijken openscheuren, en moet bij een 'vers' lijk wachten op andere dieren, zoals sterkere roofvogels, die het karkas aanvreten. In Europa komt de soort vrij algemeen voor in Spanje, Portugal en Frankrijk, onder andere in de Pyreneeën. Doordat sinds 2007 de boeren in zuidelijk Europa geen karkassen meer mogen laten liggen op hun land (in verband met de gekke koeienziekte) heeft de gier meer moeite om voedsel te vinden, wat er toe leidt dat vaker levende dieren worden aangevallen, echter nooit gezonde exemplaren. Een ander gevolg hiervan is dat de vogel verder trekt op zoek naar voedsel, waardoor de soort ook in noordelijker streken, tot in België en Nederland is gesignaleerd. Een volwassen gier is ca. 1m lang, de vleugelspanwijdte bedraagt tot 2m65 en het gewicht kan tot meer dan 10 kilo bedragen.  Hiermee is het een van de grootste vogels ter wereld. De vale gier is zandkleurig tot donkerbruin van kleur, de kop en de hals zijn wit, evenals de kraag tussen hals en lichaam. De vleugelpennen doen in de vlucht enigszins denken aan vingers. 

Amblyptilia Acanthadactyla

2012

Deze scherphoek-vedermot trof ik aan op mijn raam. Amblyptilia acanthadactyla is een fraai getekende vedermot. De spanwijdte van het vlindertje bedraagt tussen de 17 en 23 millimeter. Deze soort is veel minder algemeen dan de sneeuwwitte en wordt tegenwoordig niet alleen meer in het zuiden en midden van het land gevonden, maar dus ook in de Beemster! Volwassen vlinders zijn tot in november op zoek naar een overwinteringsplek  en leggen vaak al in februari eitjes. De rupsen leven onder meer op nagelkruid, struikhei en dophei. De eerste jonge vlinders verschijnen dan weer in juli. 

Edelhert

2012

Het edelhert is de gehele dag door actief, maar in gebieden met veel menselijke activiteit laten ze zich vooral vroeg in de ochtend en laat in de avond zien.  's Ochtends trekken ze meestal naar de graslanden om daar te kunnen grazen. Edelherten komen in allerlei gebieden voor, van drogere loofbossen en heidevelden tot zeer vochtige milieus als venen en moerassen. Enkel het mannetje draagt een gewei, dat kan uitgroeien tot meer dan 90cm, met een gewicht van 4 tot 10 kilo. Aan het gewei kan men enigszins de leeftijd aflezen. Een jong edelhert heeft gewoonlijk een kleiner gewei met weinig vertakkingen, evenals een hert in zijn laatste levensfase. Een gezond dier heeft een forser en zwaarder gewei, maar niet per se meer enden dan een ziekelijk dier. Er is een duidelijk verband tussen de kwaliteit van het leefgebied en de grootte van de hertengeweien. In de 17e eeuw waren de geweien fors, met 24 of meer enden, maar daarna eisten bevolkingsdruk, jacht en aanplant van naaldbomen hun tol. Na eeuwenlange verschraling kregen de Veluwse edelherten na de tweede wereldoorlog weer forsere geweien, omdat door aanleg van loofbos en wildakkers en het bevorderen van ondergroei, hun leefomstandigheden weer verbeterden

Eendagsvlieg

2012

Eendagsvliegen of haften zijn ranke insecten met een teer lichaam, twee paar vleugels en lange staartdraden. Meestal leven ze nog minder dan een dag. De larven leven in het water en afhankelijk van de soort, kan dat wel maanden tot jaren duren. Als ze tenslotte verpoppen tot vliegend insect, is dat eigenlijk alleen maar om te paren: ze hebben bijvoorbeeld niet eens een mond en kunnen dus niet eten.

Krekel

2012

Op een mooie dag zat deze krekel in mijn tuin te tsjirpen. De krekel produceert dit geluid d.m.v. een speciaal orgaan, een lange ader die langs de onderkant van elke vleugel loopt en bedekt is met "tanden" zoals een kam. Het tsjirpende geluid wordt gemaakt door de bovenkant van een vleugel langs de onderkant van een andere vleugel te schrapen. Als hij dit doet, houdt hij zijn vleugels omhoog en open, zodat die als akoestische zeilen fungeren. Op deze manier hoopt hij in contact te komen met een vrouwtje. Het is dus hard werken voor de krekel om te overleven, in tegenstelling tot de mier, die deel uitmaakt van een kolonie en daar zijn vaste taak vervult.  Maar in de fabel van 'de Krekel en de Mier’ van Jean de La Fontaine denkt de mier daar anders over ;-): Wat deed jij toen de zon nog straalde en ik mijn voorraad binnenhaalde?
Ik zong voor jou, zei zacht de krekel.
Daaraan heb ik als mier een hekel! Toen zong je en nu ben je arm, dus dans nu maar, dan krijg je ’t warm! Wie leeft van kunst gaat door voor gek,
vaak lijdt hij honger en gebrek……. 

Limousin Koeien

2012

Dit koeienras komt oorspronkelijk van het Centraal Massief in Frankrijk. Sinds de 17e eeuw wordt hij gefokt in de provincie Limousin. De Limousin is een heuvelachtig en op een enkel punt zelfs bergachtig gebied iets ten zuidwesten van midden-Frankrijk. Dit bosrijke gebied is doorsneden met beekjes en meren en heeft volop weides waar het Limousin rundvee vredig graast. 

Rendier

2012

Het rendier (Rangifer Tarandus) is de grote grazer van de toendra. Ze leven in kuddes en eten vooral rendiermos, een korstmos, waarin algen en een schimmel een symbiose vormen. Ook ’s winters, als de toendra met sneeuw en ijs bedekt is, weten de rendieren dit met hun hoeven te verwijderen om hun diepvries maaltijd te bereiken. Hun voornaamste vijand is de wolf, die vooral de zwakkere dieren grijpt. Oorspronkelijk kwam het rendier voor in het gehele toendra-gebied rond de Noordpool, maar met name in de zuidelijker delen van deze gebieden is het dier inmiddels verdwenen. Het wordt al eeuwen om zijn vacht, vlees, melk en als trekdier door de mens gebruikt. In Noord-Scandinavië worden nog door slechts vier families van de Samen (Lappen) grootschalig kuddes rendieren gehouden, die op moderne wijze, bijv. met helikopters, bijeengedreven worden in de herfst. De slee van de Kerstman wordt door rendieren getrokken, waarvan één met de naam Rudolf,  een rode neus schijnt te hebben. Een naamgenoot dus, maar gelukkig is mijn neus niet zo rood…..

Schotse Hooglander

2012

De Schotse Hooglander behoeft geen introductie in Nederland. De begroeiing in menig Nederlands natuurgebied wordt door deze ruig behaarde en langhoornige Schot onder controle gehouden. De bezoekersaantallen van dergelijke gebieden ook, want niet iedereen is even overtuigd van de vreedzaamheid van deze runderen. Hun hoorns zien er toch wel erg gevaarlijk uit..... Daar moet ik echter aan toe voegen dat ik er in vier weken Schotland maar een paar ben tegen gekomen, en dan nog netjes in een weitje achter prikkeldraad, terwijl  je er in Nederland over struikelt in bijna elk natuurgebied…..
De roodbruine Schotse Hooglander komt van oorsprong dus uit het westen van Schotland en van de Hebriden-eilanden voor de westkust. Het ras stamt af van een klein Keltisch rund. Het ras is kleiner dan de ons overbekende zwartbonte koe, de dieren zijn enigszins gedrongen, hebben korte poten en zijn ruig behaard. De kleur varieert soms naar meer zwart of crèmekleurig ('toffee-kleur'). De vacht bestaat uit twee lagen. In de zomer hebben ze alleen een niet zo dikke onderlaag. In de herfst groeit een dikkere laag aan voor de winter. De soort is bij uitstek geschikt voor het klimaat en de ruige omstandigheden in de West-Highlands: veel regen, sterke wind en weinig om te grazen. Daar worden ze ‘Highland Cow’ genoemd. Een volwassen stier weegt 800 kilo, een koe 500 kilo. Het verschil tussen de twee is eenvoudig te zien: bij een stier krullen de hoorns naar beneden en bij een koe staan ze overeind. Highland Cows worden zo’n achttien jaar oud. In die tijd kan een koe vijftien kalveren
 

Witte Kwikstaart

2012

Witte Kwikstaarten zijn levendige en zeer beweeglijke vogeltjes. Zij vliegen in een golvende vlucht en op de grond wipt de lange sierlijke staart voortdurend rusteloos op en neer. Zij zijn ook tamelijk agressief en houden soms een 'gevecht' met hun eigen spiegelbeeld, bijvoorbeeld in een glimmende wieldop van een auto. In de winter trekken ze naar het Zuiden, maar veel vogels uit Noord- en Oost-Europa trekken alleen naar het Westen, om daar te profiteren van het relatief warme zeeklimaat. In de winter leeft de vogel over het algemeen in kleine zwermen die vaak te zien zijn op akkers.

Lemming

2011

Lemmingen zijn bekend geworden vanwege hun veronderstelde massale zelfmoordacties. Deze mythe heeft een lange geschiedenis, die nog versterkt werd door de Disney-film ‘White Wilderness’ uit 1958, waar lemmingen hun dood tegemoet springen vanaf een klif aan zee. Het is inderdaad een feit dat, wanneer hun bevolkingsdichtheid stijgt, grote groepen lemmingen er op uit trekken op zoek naar nieuwe leefgebieden. Ze kunnen zwemmen, dus is water geen obstakel, maar ze kunnen geen afstand of stroomsnelheid inschatten. Dat leidt ertoe dat bij een dergelijke oversteek soms veel dieren sterven.

Libelle

2011

Deze libelle soort leeft In de delta van de Spaanse rivier de Ebro

Stier

2011

Stieren worden over het algemeen gehouden als dekstier voor een kudde koeien. De stier wordt in veel culturen vereerd als symbool van mannelijke kracht en vruchtbaarheid. In sommige landen is het gebruik dat mannen hun manlijkheid  bewijzen door middel van stierengevechten. Al in de vijfde eeuw was het bevechten van stieren op het Iberisch Schiereiland een ritueel waarmee jonge mannen hun moed konden tonen. Later introduceerden de Moren er het stierenvechten te paard.

Hommel

2010

  Sommige bloemen kunnen alleen door hommels bestoven worden. Hommels hebben een lange tong waardoor ze de nectar in bloemen met lange bloembuizen kunnen bereiken en bovendien zijn ze door hun lichaamsgewicht in staat om bepaalde bloemen te openen waarvoor kracht vereist is.

Spaanse Muurhagedis

2010

Spaanse Muurhagedis De Spaanse muurhagedis is een fijngebouwde, platte en vooral snelle hagedis die in de kleinste rotsspleten kan schieten. De soort komt voor in het kustgebied van de Middellandse Zee in een droge, grassige omgeving waar weinig schaduw is en enige vegetatie. Deze soort klimt graag en zit meestal hoog om te zonnen en de omgeving in de gaten te kunnen houden, dus is voornamelijk te vinden op steenhopen, ruïnes en oude muren. Het voedsel bestaat uit insecten en spinachtigen die overdag bejaagd worden. 's Nachts kruipt de hagedis onder een steen of in een muur.